Foto:
Columns

Zwaleman | Boereneenvoud

  Column

Ik ben nog niet eens zeventig, maar ik kan het me nog zó goed herinneren. Dat platteland van vroeger. Zoals dat momenteel herleeft in de Koppelkerk in Bredevoort. Nog tot en met 3 maart is daar de expositie Boereneenvoud te zien.

In de voormalige kerk hangen meer dan zestig werken van twee kunstenaressen, die zich beiden lieten inspireren door het Oost-Nederlandse plattelandsleven: de Achterhoekse Elisabeth Heuff-Kuylaars en Stien Eelsingh uit Staphorst. Gek genoeg kende ik tot voor kort alleen de naam Stien Eelsingh. Niet omdat ik zo'n groot kunstkenner ben, maar omdat vroeger een piepklein schilderijtje van deze kunstenares in mijn ouderlijk huis hing. Een Staphorster boerin (in klederdracht natuurlijk) die zo'n mooie, deels rieten kinderwagen voortduwt. Juist, dat tafereeltje dat ook veelvuldig gebruikt is in borduurpakketjes.
Van Elisabeth Heuff had ik nog nooit gehoord. En dat is best een beetje raar, want zij woonde een groot deel van haar leven in Neede. Het dorp waarin ik een deel van mijn jeugd doorbracht en waar ik sinds een jaar of tien opnieuw woon. Het zou zo maar kunnen dat ik als tiener Elisabeth Heuff wel eens ben tegengekomen. Ik op de fiets of de brommer, zij natuurlijk lopend.

Ja, want Elisabeth Heuff, echtgenote van een van de plaatselijke huisartsen, wandelde veel. Door het buitengebied van Neede, maar ook elders in de Achterhoek. Niet omdat ze nou zo'n fanatiek wandelaarster was, maar om inspiratie op te doen. Ze was – zeker als schilderes - geïntrigeerd door de eenvoud van het platteland. Haar eigen platteland, nadat ze met haar echtgenoot naar de Achterhoek 'emigreerde'.

Heuff schilderde boeren, boerinnen, boerenkinderen. Maar ze schilderde ook de omgeving waarin ze leefden: het aardappelveld, het hooiland, de roggevelden op de essen, maar ook het boerenerf en niet te vergeten menig 'kökken'. In landschappen, portretten en stillevens schetste zij een beeld van de Achterhoek waarin zij leefde. En waarvan ik, veertig jaar jonger dan zij, dus nog een staartje heb meegekregen.
Het is overduidelijk een voorbije wereld die de schilderes in de Koppelkerk laat zien. Een wereld waarin veel van het werk nog met de hand werd gedaan. Op haar portretten vallen de handen vaak ook het meest op. Steevast zijn dat grote handen, waarop de sporen van het harde werk te zien zijn. Zeker bij de kerels. Mansleu met zwil in de hande, om met Boh Foi Toch te spreken. Het gelaat van die mannen is doorgroefd en ook in de gezichten van de vrouwen is soms een lang en niet gemakkelijk leven te lezen.

Al bij Heuffs eerste schilderij op de expositie ben ik een poos blijven staan. Om het heel rustig in me op te nemen en dan tot de conclusie te komen, dat er iets niet klopte. Nee, die was niet opoe Bakhuis (de titel van het portret), dit moest onze buurvrouw van weleer zijn. Die ook ik aansprak met opoe. En die als een echte Achterhoekse Madre Familias een boerderij met drie generaties bestierde. In het veurhoes ontegenzeggelijk de baas, maar ook door de keerls in het achterhoes gevreesd. In haar gezicht zag ik de strengheid die bij haar gezag hoorde, maar ook de berusting van een oud iemand die weet dat ze haar positie binnenkort overgeeft aan een volgende generatie. Met deze opoe Bakhuis trad ik als het ware de Achterhoek van weleer binnen. De Achterhoek die ik al bijna was vergeten.

Meer berichten