Foto:
Columns

Zwaleman | Pistolen

Pistolen

"Psst … kom even mee naar de schuur, ik moet je iets laten zien." Mijn vriend Wallie fluisterde, het was wel duidelijk dat zijn moeder het niet mocht horen. En dat ze ook niet mocht zien dat we ons naar de schuur achter de oude villa begaven. Gelukkig was ze in een druk telefoongesprek verwikkeld en kreeg ze nauwelijks iets van haar omgeving mee. Ongezien slopen we weg.
In de schuur pakte mijn vriend een houten kistje achter een paar strobalen weg. Zonder iets te zeggen deed hij het open en liet hij me de inhoud zien. Mijn adem stokte, want in het kistje lagen twee pistolen.
Nee, het waren niet de wapens die mijn favoriete striphelden hanteerden. Niet glimmend zwart dus, met een kolf van paarlemoer. Om eerlijk te zijn glommen ze helemaal niet en als ze ooit al zwart waren geweest, dan was dat door de roest niet meer te zien. Maar desondanks zagen ze er in de ogen van een tiener heel gevaarlijk uit.
"Het zijn alarmpistolen", vertrouwde Wallie me toe. En vervolgens vertelde hij, dat hij de wapens had gevonden in een kast, waar ze waarschijnlijk tijdens de oorlog waren verstopt. En dat hij ze met een vijl zodanig had bewerkt, dat ze echt konden schieten. "Kijk, daar komt de kogel dan uit", zei hij en hij wees op de bovenkant van het wapen.
Ik luisterde nauwelijks naar hem, keek gebiologeerd naar de twee pistolen. Ik had iets met wapens, al sinds ik heel klein was. Op mijn zesde vroeg ik aan Sinterklaas al een 'echt' klappertjespistool (vergeefs, er zat een autootje in mijn schoen) en op mijn achtste kocht ik van mijn opgespaarde zakgeld een knalkurkpistool. Stiekem, want mijn ouders waren overtuigde pacifisten en dus fel tegen wapens. Zelfs als het om een speelgoedpistooltje ging. Als ik cowboytje wilde spelen moest ik me behelpen met een geweer, dat ik zelf in elkaar had geknutseld van een koperen buis en een houten boekensteun.
Maar die pistolen van Wallie leken precies op de wapens die politieagenten aan hun riem hadden hangen. En wat zei hij, kon je er echt mee schieten?
"Jazeker", bevestigde mijn vriend nogmaals. "En vanavond gaan jij en ik op stropersjacht in het bos achter ons huis."

Vijftien jaar was ik en daar liep ik in het stikkedonker over de Lochemse Berg. "Als je een stroper ziet meteen schieten", luidde de instructie van Wallie, die tien meter verderop liep. 'In linie' trokken we met z'n tweeën door het bos. Ik had de loop van mijn alarmpistool naar de grond gericht. Niet uit veiligheidsoverwegingen, integendeel. Conform Wallies instructies hield ik het wapen zo vast, omdat dan de kogel naar voren zou vliegen en de stroper in zijn been zou raken.

Gelukkig maar, dat we die nacht niemand tegenkwamen. Gelukkig voor de stropers, maar zeker ook gelukkig voor ons. Zouden we wel iemand hebben gezien, dan hadden we ook geschoten. Raak of niet, alleen al de knallen zouden ons hebben verraden. En ook al waren onze moeders geen burgemeester, we waren er niet mee weggekomen. Puberaal gedrag met een nepwapen leidde een halve eeuw geleden nog niet tot schreeuwende krantenkoppen, maar een flink pak voor mijn achterste had ik zeker gekregen.
Overigens: ik heb nooit geweten of er echt een kogel uit de alarmpistolen kon komen, of dat het niet meer dan opschepperij van mijn vriend betrof. Ik denk eerlijk gezegd het laatste.

Meer berichten