Foto:
Columns

Zwaleman | Bijen

Bijen


Bij het opruimen van de zolder kwam ik onlangs een fotoalbum tegen, waarvan ik het bestaan al lang vergeten was. Tientallen kiekjes in dat bekende 13 bij 18 formaat, sommige nog zwart-wit, de meeste al in kleur. Maar wel flink verschoten. Alle foto's hebben één ding gemeen: ik sta er op. Als tiener, want de foto's zijn allemaal gemaakt in de jaren zestig.
U begrijpt, ik heb een hele avond in dat album zitten bladeren en allerlei herinneringen kwamen daarbij boven. Maar het langst heb ik zitten kijken naar een paar foto's die gemaakt zijn in 1968. Daarop zie je twee mannen, duidelijk imkers, die de honingraten in een bijenkast controleren. Onherkenbaar door de beschermende kleding, maar ik weet dat ik die ene ben en mijn opa de ander. Rond mijn zestiende heb ik namelijk een paar jaar geïmkerd. Daartoe aangemoedigd door mijn vader die een oude boerderij inclusief iemenschoer had gekocht. En ja als je een iemenschoer (bijenstal) hebt, dan horen daar natuurlijk ook een paar bijenvolken in te staan. Maar zelf was hij doodsbenauwd voor bijen. Vandaar…
Zolang het duurde heb ik die bijenhobby trouwens met plezier beoefend. En voor dat plezier was vooral mijn opa verantwoordelijk. Als gepensioneerd schoolmeester was hij in staat om op een prettige manier zijn kennis van bijen en van het imkersvak over te brengen. En die kennis was enorm. Niet alleen had hij zelf altijd bijen gehouden, hij had in de jaren twintig en dertig ook zo ongeveer de helft van alle Achterhoekse boeren het imkeren geleerd. Voor hem als slecht betaald 'meister' in de buurtschap Lochuizen was dat les geven een leuke bijverdienste. Maar hij deed het ook vanuit bevlogenheid. In de eerste helft van de vorige eeuw was het zeker voor de kleinere boertjes in

de Achterhoek nog armoe troef. Mijn opa had toen al in de gaten dat een 'tweede tak', bijvoorbeeld de verkoop van honing, het leven op de boerderij enigszins kon verlichten.
Opa leerde mij van alles over bijen, maar natuurlijk ook wat je precies moest doen om zoveel mogelijk honing te 'oogsten'. Het belangrijkste was, zo benadrukte hij steeds weer, het handhaven van de hygiëne. Want je moest zorgen, dat je geen ziekte in je bijenvolken kreeg.
Waar hij het niet over had, was het gevaar dat je bijen konden sterven door landbouwgif. Mogelijk kende hij dat gevaar niet eens, want in zijn tijd werden veel minder gewasbestrijdingsmiddelen gebruikt dan tegenwoordig. Anno 2019 is landbouwgif verantwoordelijk voor de massale sterfte van niet alleen honingbijen, maar ook van wilde bijen, hommels en allerlei andere nuttige insecten.
Nuttig? Jazeker, bijen zijn onmisbaar voor alles wat groeit en bloeit. Niet alleen in de 'wilde' natuur. Driekwart van onze voedselproductie is afhankelijk van bestuiving door bijen. Daarom snap ik die boeren ook niet, die nog steeds hun weilanden en akkers met die troep besproeien. En zo in feite dus hun eigen inkomstenbron naar de mallemoer helpen.
Maar nog minder begrijp ik de politici die vanuit Den Haag en Brussel over onze gezondheid zouden moeten waken. En daarom die gewasbeschermingsmiddelen (best een mooie naam trouwens voor puur gif) eigenlijk zouden moeten verbieden. Maar dat nog steeds niet doen, omdat de producenten van die rotzooi, zoals Bayer en Basf, nu eenmaal betere lobbyisten zijn dan de organisaties die zich inzetten voor natuur en milieu. Over twee weken mogen we weer naar de stembus. Maar eens kijken of er een partij is die de bijen wél durft te beschermen.

Meer berichten