Het bankje aan de Driehonderdmeterweg. Foto: Bernhard Harfsterkamp
Het bankje aan de Driehonderdmeterweg. Foto: Bernhard Harfsterkamp (Foto: )
Columns

Vanaf een bankje

Bij de Driehonderdmeterweg

Door Bernhard Harfsterkamp

AALTEN – In de laatste zomer heb ik ook al eens op dit bankje gezeten. Het stond toen nog op een andere plek, van waaruit het uitzicht niet optimaal was. Blijkbaar is dat meer mensen opgevallen, want waarom zou het anders verschoven zijn? Het bankje staat nu aan de rand van het weiland. Ik kijk nu naar een van de mooiste hoekjes op de Haart. Het is bovendien een van de kleinschaligste delen van de buurtschap, al liggen er achter en rechts van me twee flinke percelen naaldbos.

Het bankje staat op de overgang van het jonge naar het oude ontginningslandchap. Voor me ligt een landschap met akkers en weilanden, houtwallen en bosjes, dat al vele eeuwen geleden is ontstaan. Het landschap achter en rechts naast me is jonger. Daar lagen tot aan het begin van de 20ste eeuw heidevelden aan beide kanten van de grens, want Duitsland is hier niet ver weg. De heide is verdwenen, want na de uitvinding van de kunstmest waren heideplaggen niet meer nodig voor de bemesting van de akkers. Voordat de plaggen op het bouwland kwamen werden ze vermengd met dierlijk mest.

Waar de heide lag zijn de perceelsgrenzen recht en strak. Ook zijn er zo'n honderd jaar geleden veel naaldbossen op aangelegd, omdat naaldhout werd gevraagd voor de vele steenkoolmijnen in ons land en in Duitsland. De stammen van grove dennen werden gebruikt om de mijngangen te stutten en omdat ze de mijnwerkers waarschuwden als een gang dreigde in te storten. Grenenhout gaat dan piepen. Ander hout doet dat niet. Toch was het hout van naaldbomen al snel minder gewild. De mijnen kozen voor ijzeren balken en steenkool werd in de loop van de eeuw, zeker in Nederland, veel minder gebruikt. De voor onze begrippen grotere naaldbossen (het is hier geen Veluwe) zijn aangelegd in een relatief korte periode rondom 1900.

De Driehonderdmeterweg loopt rechts van me. Vaak wanneer ik hier kom met mensen die niet zo goed bekend zijn in Aalten krijg ik de vraag waarom die weg zo heet. Als je er overheen rijdt wordt al snel opgemerkt dat die langer is dan 300 meter. Ik vertel dan altijd dat het om de afstand tot de Duitse grens gaat en de weg er parallel aan loopt. Die grens is hier inderdaad vele kilometers lang voornamelijk recht, maar hier en daar ligt de weg toch wat verder weg van de grens. Maar die 300 meter is grotendeels correct. Het was een weg waarover we in mijn jeugd veel reden, als we binnendoor naar Dinxperlo reden. Je kon de weg toen nog afrijden tot bij de grensovergang Hemden en dan recht over steken om via zandpaden in de buurt van IJzerlo uit te komen.

Om het landschap beter te kunnen bekijken is een verrekijker vaak handig. Of de inzoomfunctie te gebruiken van een fototoestel. Het landschap opent zich dan. Het is niet één aaneengesloten houtwal in de verte. Nee, die wordt onderbroken en een eind daarachter staat dan een solitaire eik. Achter die eik ligt het paradijs van de familie van Ipenburg. Het is door de afwisseling van houtwallen, struwelen, ruigten, kleine akkers en weilanden, die zonder chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest worden bewerkt, een gebied geworden met het hoogste aantal soorten planten en dieren in de ruime omgeving. Dat is niet altijd zo geweest. Hier is ook een periode lang het landschap kaler en grootschaliger geworden, maar dat veranderde toen de familie van Ipenburg zich er vestigde. Het toont aan dat het nog steeds mogelijk is om natuur en landschap te herstellen en om verloren gewaande soorten terug te krijgen. Als het op de Haart kan, kan het op meer plekken in Aalten en in buurgemeente Winterswijk.

Meer berichten