Foto: Nick Oostendorp
Columns

Zwaleman | Staring

Staring

Een week of zes geleden schreef ik over Gerrit Achterberg, de dichter die zijn mooiste werk schreef toen hij in de Achterhoek woonde. Die column leverde me opmerkelijke reacties op. Zo van: "Goh, ik heb nooit geweten dat jij gedichten leest. Had ik niet achter je gezocht..." Zelfs in de familie en kennissenkring waren mensen die in mij nooit een poëzieliefhebber hadden vermoed.

Nou moet ik toegeven, dat ik me ook niet dagelijks in de verzamelde gedichten van J.C. Bloem, Ida Gerhardt, Herman Gorter of Rutger Kopland stort. Om maar een paar namen te noemen. En als ik toch een gedicht lees (in een verloren momentje of net voor het slapen gaan) praat ik daar zelden over. Het nuttigen van poëzie is voor mij een soort van guilty pleasure, iets waarvan je geniet maar dat je niet met anderen deelt.

Ik kan van gedichten dus genieten. En ik ken ook mijn klassiekers. Niet alleen hun namen. Sommige gedichten kan ik uit mijn hoofd reciteren. Het Lied der achttien doden bijvoorbeeld, van Jan Campert ('Een cel is maar twee meter lang en nauw twee meter breed') kon ik al opzeggen toen ik nog maar een jochie van elf was. Nou ja, het eerste couplet dan. Dat had alles te maken met een 4 mei-herdenking waarop ik, zenuwachtig aan de pijpen van mijn korte broek frunnikend, die acht regels voordroeg na weken te hebben geoefend.

Voor zover er bij tieners al belangstelling bestaat voor poëzie, wordt die er op de middelbare school meestal vakkundig uitgeslagen. Maar bij mij was dat, op de Rijks Scholen Gemeenschap in Lochem, niet het geval. Bevlogen leraren Nederlands als Jan F. de Zanger (zelf een begenadigd dichter) en Hans Zoetbrood lieten me juist op een heel prettige manier kennis maken met poëzie. En laat ik mijn leraar Duits niet vergeten. Herr Van Vuuren kreeg mij zelfs zo ver, dat ik het gedicht Die Lorelei (Ich weiss nicht wass soll es bedeuten) uit mijn hoofd leerde. Drie keer zo lang als dat ene eerste couplet van Campert en nog in het Duits ook! Sterker: ik kende niet alleen de tekst, maar ook de bijbehorende melodie. Dat kwam me nog uitstekend van pas tijdens het mondeling eindexamen. Het luidkeels zingen van de Lorelei imponeerde de examinator dusdanig, dat hij me maar liefst een negen gaf.

In mijn middelbare schooltijd was ik vooral liefhebber van dichters uit de Romantiek. Dat hoort natuurlijk bij die leeftijd: zwijmelen over romantische ideeën en gevoelens . Behalve de gedichten van Heinrich Heine verslond ik ook het werk van mannen als Byron, Shelley en Goethe en niet te vergeten Piet Paaltjens.

Ja, en dan was daar natuurlijk nog onze eigen Achterhoekse romanticus, Anthony Christiaan Winand Staring. De in Gendringen geboren edelman, die op zijn kasteel De Wildenborgh in Vorden prachtige verhalen in dichtvorm schreef. Waarvan natuurlijk De Hoofdige Boer het meest bekend is gebleven. Dat juist van dit verhaal over die koppige boer Stuggink door Marc Weikamp uit Zutphen een stripalbum is gemaakt, vind ik fantastisch. Want ja, ik was en ben nog steeds liefhebber van Staring. Ken ook van hem een paar beroemde beginregels uit mijn hoofd:

Sikkels klinken, sikkels blinken,

ruisend valt het graan.

Als je iemand weg ziet hinken,

dan heeft ie het fout gedaan.

Oh, en wat betreft die Lorelei: heel af en toe zing ik het lied nog. Of beter gezegd: ik probeer het te zingen. Voor ik aan het tweede couplet ben word ik al overstemd door de smeekbeden van mijn lief, mijn kinderen of kleinkinderen, om me alsjeblieft stil te houden. De cultuurbarbaren!!!

reageer als eerste
Meer berichten
<SCRIPT SRC="//secure.adnxs.com/ttj?id=5221749&cb=[CACHEBUSTER]&referrer=aaltensnieuws.nl&pubclick=[INSERT_CLICK_TAG]&postcode=709,712" TYPE="text/javascript"></SCRIPT>